Voetbal en geweld


Datum:05-12-2012 - Door: Ellen Engelman

Vanaf mijn vroege jeugd ging ik elke zondag mee met mijn vader naar het voetballen. Soms gepropt met alle kinderen (voornamelijk jongetjes) van het elftal achterin een volkswagenbusje. Ach dat kon toen nog, niks gordels en kinderstoeltjes.

Tijdens de wedstrijd amuseerden we ons met een partijtje voetbal achter het goal of op een leeg veld, in de rust sloegen we ons “zakgeld” stuk in de kantine, die soms niet meer dan een bouwkeet was. Mijn vader, ik heb veel goede en warme herinneringen aan hem, was een rustige, vriendelijke en zeer sociaal vaardige man. Iedereen vond hem aardig, maar voetballen kon ie niet. Dat resulteerde in het feit dat hij meestal reserve stond en daardoor moest “vlaggen” (grensrechter zijn). Zijn schone zakdoek werd uit de zak gehaald en hij stond daar langs de lijn. Vaak liet ik de voetballende jongetjes voor wat die waren en ging hem gezelschap houden. Mijn vader was elke zondag op het veld te vinden, schreef het clubblad vol, haalde elke vrijdag op diverse adressen de voetbalpool op en was ook nog eens penningmeester. Later toen ik zelf bij de club voetbalde (jazeker!) was hij trainer/begeleider van ons elftal. Hij was één van die mensen waar de club op dreef. Elke club heeft er wel een paar.

Op een keer, toen de wedstrijd een zeer onprettig verloop had en mijn vader gefrustreerd met zijn zakdoek liep te zwaaien zonder dat de scheidsrechter (ook vaak iemand van één van de twee elftallen bij gebrek aan voldoende scheidsrechters van de voetbalbond) notie van hem nam, heb ik ervaren wat het spelletje voetbal met iemand kan doen. Het was toen ook nog eens ijskoud, dus ik wilde hem zeggen dat ik alvast naar de kantine zou gaan, en ik riep : “Pa!” Ik moest wel vier keer roepen en pas toen zei hij, zonder ook maar om te kijken “hou je bek teringmeid”.
Het rare is dat ik niet in tranen uitbarstte (ik was nogal een gevoelig kind), maar dat ik begreep  dat dit taalgebruik niet op mij sloeg maar op zijn frustratie over de wedstrijd. Ik ben maar naar die kantine gegaan en toen ik hem na de wedstrijd confronteerde met wat hij tegen me had gezegd, wilde hij dat niet geloven. “El, ik zeg zulke dingen nooit”.  En dat was, behoudens deze ene keer, ook zo!

Als mijn aardige, zachte, geduldige vader zo werd opgezweept door wat er op een voetbalveld gebeurde, dan kun je je voorstellen hoe mensen met een kort lontje zich soms gedragen op het voetbalveld.

Er is geen enkel excuus voor verbaal geweld, en ook dat dient bestraft te worden. Maar wat er op zondag 2 december heeft plaatsgehad in Almere, waar een clubgrensrechter terwijl hij al op de grond lag tegen lichaam en hoofd werd geschopt door drie tot vijf vijftien- en zestienjarigen, is van een heel andere orde. Dat heeft mijns inziens te maken met beschaving. Wat is er aan de hand met deze mensen? Die geen respect hebben voor het leven van een ander, het kan ze niets schelen, als zij hun frustratie maar botvieren.

Ik ben altijd de eerste die roept dat dit soort gedrag, wat zich helaas niet meer beperkt tot de setting van het voetbalveld (uitgaansleven, trein, overvallen op particulieren en bedrijven) ook wordt veroorzaakt doordat de huidige frequentie van de energie mensen onrustig maakt en zij geen weg weten met die onrust. Onrust is één ding, het moedwillig molesteren, zelfs tot de dood erop volgt heeft voor mij nog steeds te maken met het volledig ontbreken van respect voor die ander EN voor het leven.

Ik hoop van ganser harte dat we met alle mensen die hoe langer hoe liefdevoller worden, een verschil kunnen gaan maken bij deze onmensen, want een ander woord heb ik er niet voor.

Ellen Engelman

Amersfoort, 5 december 2012